Festival Bonjour - Départements des coqs
31.01 - 23.03.2010 — Luifelzaal
Het festival Bonjour, waar deze tentoonstelling deel van uitmaakt, wil “een kennismaking bieden met kunst en cultuur uit Franstalig België”. Deze formulering heeft het uiteindelijk gehaald. En daar is, vanaf het moment dat het idee voor het festival ontstond, heel wat discussie aan voorafgegaan. Centrale vraag was onder welke noemer we het festival zouden plaatsen. Wallonië? Brussel? Of gewoon Franstalig België? Welke benaming we ook hanteerden, altijd leek deze iets uit te sluiten of in te sluiten wat we net niet wilden uit- of insluiten.
Een etiket plakken waarin elementen als taal en regio vervat zitten, ligt in een land als het onze erg gevoelig. Bovendien wilden wij uitdrukkelijk niet in politiek vaarwater terecht komen. Als je een geografische artistieke identiteit erkent, heeft dit dan ook verdere implicaties? Had in de 19de eeuw Hendrik Conscience zonder dit te willen de niet Vlaamse ontvoogdingsbeweging de wind in de zeilen gegeven door een in zijn ogen vergeten onderdeel van de Belgische geschiedenis (de Guldensporenslag) neer te schrijven in “De Leeuw van Vlaanderen”? Verkeerd begrepen worden overkomt zelfs de besten.
Toen ik eind 2008 aan enkele Franstalige kunstenaars mijn voornemen kenbaar maakte om een tentoonstelling te maken over ‘Waalse kunst’ (of Franstalig Belgisch, of ‘van over de taalgrens’, …) en daarin ook de vraag te stellen of er inderdaad wel zoiets bestaat als ‘Waalse kunst’ (of één van de andere noemers) kreeg ik dan ook twijfelende antwoorden. Maar daarnaast kreeg ik ook het advies om eens bij galerie Nadja Vilenne in Luik langs te gaan. Als er iemand mij in deze kwestie kon helpen, dan wel Nadja Vilenne. Ook haar echtgenoot Jean-Michel Botquin - die ook in Vlaanderen enige bekendheid geniet als kunstcriticus - werd mij als gesprekspartner aanbevolen. Daarop ben ik dus naar Luik getogen, meerbepaald naar de wijk Saint-Léonard. Ik wilde daar gaan vragen enkele werken in bruikleen te krijgen en ook voor de contactgegevens van enkele kunstenaars die ik sowieso al voor de tentoonstelling wilde selecteren. Nadja Vilenne en ikzelf praatten meteen enkele uren over wat ik precies wilde bereiken met de tentoonstelling en waarover die juist zou gaan. Toen ik wegging had ik geen enkele concrete vraag gesteld. Dan maar opnieuw afgesproken. En nog eens. De interesse die er vanuit een kleine stad als Turnhout kwam om de cultuur van over de taalgrens in de kijker te zetten gaf blijk van een openheid die zij duidelijk op prijs stelde. De gesprekken die nog volgden - nu ook met Jean-Michel Botquin erbij - vormden de eigenlijke basis van de tentoonstelling. De galerie werd in plaats van bruikleengever een echte partner voor het project. Jean-Michel Botquin engageerde zich om de catalogustekst te schrijven.
In een interview dat ik ondertussen enkele maanden geleden met Botquin deed voor ons Warandetijdschrift antwoordde deze op mijn vraag of er Waalse kunst - en ruimer genomen een Waalse identiteit – bestaat, dat ik dit misschien beter aan de buren zou kunnen vragen. Welnu ikzelf ben eigenlijk die ‘buren’. En nu ik zie welke kunstenaars en welke werken wij in de tentoonstelling hebben samengebracht meen ik te kunnen zeggen dat ik die verwantschap wel degelijk zie, al kan ik ze nog steeds niet benoemen tenzij op een dermate uitvoerige wijze dat het opnieuw individuele karakteristieken worden. Ik wil in onze gemondialiseerde wereld geen absurde grenzen trekken: ik zelf ben ook afkerig van het reduceren van kunstenaars tot een bepaalde culturele gemeenschap. Kunstenaars zijn net au fond bezig met het bevragen van vastliggende grenzen. Wil ik als ‘Vlaming’ (zijn wij in de Kempen historisch gezien eigenlijk geen Brabanders?) vertegenwoordigd worden door een klein aantal kunstenaars die ‘staan’ voor wat er in Vlaanderen op het vlak van kunst gebeurt. Ja, er is Luc Tuymans en een hele reeks kunstenaars die zelfs ‘de Tuymans school’ genoemd zouden kunnen worden. Ja, er is Jan Fabre die projecten realiseert van een gigantische omvang. Ja, Jan De Cock werkt ook op dezelfde schaal, maar wil dit zeggen dat zij de Vlaamse kunst vertegenwoordigen? Wat zijn taal en streek meer dan toevallige omstandigheden?
Lizène verwoordde het als volgt: “Ik schilder bakstenen muren zoals een Hollandse kunstenaar zeezichten schildert.”
De tentoonstelling werd dus geen staalkaart. Ze is een subjectieve keuze en pretendeert niet meer te zijn dan dit. Elf kunstenaars uit verschillende generaties die toevallig allen iets te maken hebben met een bepaalde regio en of een bepaalde taal.