O Congo, 50 jaar onafhankelijkheid in 50 schilderijen
25.04 - 06.06.2010 — Expozaal
Het woord is aan de Congolezen.
Na de tweede wereldoorlog neemt het anti-kolonialisme wereldwijd toe. Eind jaren ’50 en begin jaren ‘60 worden verschillende Afrikaanse landen onafhankelijk. Met een wrange nasmaak aan de koloniale periode en opgezweept door euforische verwachtingen verkrijgt ook de Belgische kolonie Congo – een land zo groot als Europa - de onafhankelijkheid op 30 juni 1960. Dit gaat gepaard met verhitte ideologische en materiële ambities van politici en machthebbers. Van bij het begin staat het land ook onder druk door de grote financiële belangen die buitenlandse ondernemingen er hebben. We zijn nu vijftig jaar later. Rust heeft het land tot nu toe nog niet gekend.
De tijd dat iedereen in België een familielid of goede kennis had in Congo is voorbij. Verhalen en foto’s en filmpjes reisden het hele land door. Eerst over de mooiste tijd in hun leven, later ook over de chaos. Nu de familieleden alweer enkele decennia terug thuis zijn en de verhalenstroom stilgevallen is, zijn we onze sterke band met het land een beetje kwijtgeraakt.
Wat weten wij nu nog over Congo? Ons beeld van het land wordt bepaald door blanke journalisten en politici. Wat zij ons vertellen wordt gekleurd door binnenlandse ideologische discussies. Onze westerse waardemeters vervormen ons kijken en denken.
In de tentoonstelling “O Congo. 50 jaar onafhankelijkheid in 50 schilderijen” geven we het woord aan de Congolezen zelf.
De ‘peintre populaire’ of volksschilder bespeelt immers alle thema’s van het maatschappelijk leven. Hij staat aan de kant van de gewone man en is in die zin ook een politiek schilder. Hij bevindt zich niet op een artistiek eiland maar leeft en werkt tussen het gewone volk. Hij zegt in zijn schilderijen wat op de straten wordt gefluisterd. Hij is megafoon.
De volksschilder observeert en is journalist in een land waar journalisten hun werk niet kunnen doen. Hij noemt de dingen bij hun naam en duidt ze.
Hij is openbaar aanklager als het gaat om de schrijnende omstandigheden waarin de bevolking moet leven in contrast met de rijkdom van een elite. Dan wordt zijn werk het spandoek van de betoger die vooraan in de betoging voor een betere samenleving opstapt.
De volksschilder is ook een humorist. Als een cartoonist vergroot hij de kleine kanten van het dagelijks leven uit tot soms hilarische taferelen. En daar is in Congo meer dan aanleiding genoeg toe: er zijn de onvoorstelbare vervoersproblemen, er is de onstuitbare ambiance in Matonge, er is de ondeugendheid in preutsheid verholen. Zonder humor valt er niet te (over)leven. In zijn schilderijen toont hij zich meester in dubbele bodems, hij versterkt ze met felle kleuren en een haast karikaturale vormgeving.
Hij is ook – en niet in het minst - geschiedschrijver. Als ooggetuige vervolledigt hij de feiten met hun emotionele betekenis. In de puurheid van de vaak naïeve stijl worden de lijfstraffen van de kolonialen eens zo striemend. Zijn schilderijen priemen in de huid van de schuldigen voor altijd... Zij vormen het collectieve geheugen van de Congolese bevolking.
Hij schildert het verhaal van een land met littekens uit het koloniale verleden, het verhaal van een rijk land belaagd door hebzucht van de eigen leiders en buitenlandse mogendheden, het verhaal van een volk aan zichzelf in armoede overgelaten.
Maar tevens een volk dat niet gebroken kan worden en zich met levenskracht en humor in stand houdt.
Het leven is hard maar het volk is krachtig en het hart is warm. De toekomst is donker , de levensvreugde dichtbij. Zwartheid geschilderd in felle kleuren, genezende schilderkunst.